Immateriële schade onder de loep

Immateriële schade onder de loep

donderdag 18 maart, 2021

In een aantal vorige nieuwsberichten werd al toegelicht wat immateriële schade inhoudt en welke aspecten van invloed zijn op de omvang. In dit artikel neemt mr. Joanne Parinussa de immateriële schade verder onder de loep en gaat zij met betrekking tot deze schadepost in op de door de rechter gebruikte maatstaf en de wijze waarop de omvang van immateriële schade wordt begroot. Dit doet zij aan de hand van een recent arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 26 januari 2021.

Feiten en omstandigheden
In deze casus raakte het slachtoffer betrokken bij een verkeersongeval. Zij moest uitwijken voor een tractorcombinatie en kwam daardoor ten val met haar fiets. Vervolgens reed de tractorcombinatie over haar lichaam. Als gevolg van dit ongeval liep het slachtoffer ernstig letsel op in de vorm van een hoge dwarslaesie, diverse fracturen en een klaplong. Zij werd door het ongeval rolstoelafhankelijk en hulp- en zorgbehoevend. Er was sprake van een blijvende invaliditeit van 91%.

Eerste aanleg
Door de aansprakelijkheidsverzekeraar van de wederpartij werd een immateriële schadevergoeding van € 150.000,- uitgekeerd. Het slachtoffer kon zich niet met de hoogte van dit bedrag verenigen en stapte naar de rechter. Zij verzocht de rechtbank de immateriële schade te begroten op € 200.000,-. De rechtbank wees het verzoek af omdat zij van mening was dat de uitgekeerde vergoeding van €150.000,- billijk en passend was.

Hoger beroep
Het slachtoffer ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. Ook het hof achtte de uitgekeerde vergoeding van € 150.000.- billijk en oordeelde dat de rechtbank ‘terecht en op goede gronden het verzoek van [slachtoffer] om een hoger bedrag toe te kennen [heeft] afgewezen’.

Het hof heeft gekeken naar de wijze waarop de rechtbank de omvang van de immateriële schade heeft begroot en welke maatstaf daarvoor werd gebruikt. Volgens het hof is de rechtbank niet uitgegaan van een verkeerde maatstaf. Het hof legt in het arrest uit hoe deze maatstaf dient te worden toegepast.

De maatstaf
Volgens deze maatstaf moet bij de begroting van de omvang van de immateriële schade rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, zoals:

1.) De aard en de ernst van het letsel (denk bijvoorbeeld aan de herstelperiode van het opgelopen letsel en of er sprake is van blijvende beperkingen);
2.) De mate van verwijtbaarheid (het gaat hierbij om de gedraging die het ongeval veroorzaakte);
3.) De aard van de aansprakelijkheid (denk aan het verschil tussen schuld en opzet. Iemand kan ook schuldig zijn en dus aansprakelijk, zonder dat er opzet in het spel is geweest);
4.) De mate waarin het rechtsgevoel van de benadeelde is geschokt.

Het is aan de rechter om in het concrete geval per aspect te oordelen in welke mate deze meegewogen moet worden.

Gevalsvergelijking
Om tot een concreet bedrag te kunnen komen wordt ‘gevalsvergelijking’ toegepast door de rechter, oftewel de rechter kijkt naar vergelijkbare uitspraken uit het verleden. De hierboven opgesomde factoren zijn daarbij weer bepalend of een uitspraak in voldoende mate vergelijkbaar is.

Op dit punt gaat het hof ook in. Door het slachtoffer werden in eerste aanleg meerdere uitspraken in strafzaken aangehaald, waaronder een poging tot doodslag waarbij vijf keer werd geschoten met een revolver en een zaak waarin een ernstig verwijtbare medische fout werd gemaakt. In de door het slachtoffer aangehaalde uitspraken werd een hogere vergoeding voor immateriële schade toegewezen dan de door haar ontvangen € 150.000,-. Het hof overwoog echter dat deze uitspraken te zeer verschillen van de casus van het slachtoffer, nu de chauffeur van de tractorcombinatie niet de opzet heeft gehad om het ongeval te veroorzaken.

Er is aldus een wezenlijk verschil in de aard van de verwijtbaarheid (de gepleegde gedraging) en de aard van de aansprakelijkheid (schuld versus opzet) ten aanzien van het verkeersongeval waar zij slachtoffer van werd in vergelijking met de aard van de verwijtbaarheid en de aard van de aansprakelijkheid ten aanzien van de strafzaken die door haar werden aangehaald. Om die reden vond het hof dat deze uitspraken zich niet leenden voor gevalsvergelijking.

Vergelijking met andere Europese landen
In eerste aanleg werden er door het slachtoffer tevens een aantal buitenlandse uitspraken aangehaald, met name uit Engeland en Duitsland. De immateriële schadevergoedingen in die landen liggen in het algemeen beduidend hoger dan in Nederland en specifiek in deze twee landen is er in de afgelopen jaren een duidelijke stijgende lijn te herkennen in de omvang van de in de rechtspraak toegewezen immateriële schadevergoedingen. Ook dit was voor het slachtoffer een argument voor een hogere vergoeding.

Hierover oordeelt het hof dat het de rechter in beginsel vrij staat om in het kader van gevalsvergelijking te kijken naar buitenlandse uitspraken en inspiratie op te doen uit buitenlandse ontwikkelingen, maar dat dit geen beslissend aspect mag zijn in de begroting van de omvang van de immateriële schade in Nederland. Het hof oordeelde dat de enkele stelling dat naar eigen inschatting in de genoemde landen een hogere vergoeding voor immateriële schade zou worden verkregen, niet voldoende is om een hogere vergoeding toe te kennen dan de reeds uitgekeerde € 150.000,-. Daarnaast achtte het hof de door de Duitse en Engelse rechters gebruikte systemen van (begroting van) immateriële schade niet vergelijkbaar door de te grote verschillen in toegewezen vergoedingen.

Inflatie en maatschappelijke opvattingen
Het systeem van gevalsvergelijking dat door de Hoge Raad werd ontwikkeld (zie hierover ECLI:NL:HR:1992:ZC0665 en ECLI:NL:HR:AA8538) heeft als gevolg dat er wordt teruggegrepen naar bedragen die soms ver in het verleden liggen. Dit systeem heeft er aldus voor gezorgd dat er sprake is van een stagnerende ontwikkeling met betrekking tot de vergoedingen voor immateriële schade in Nederland sinds 1992. Dit gegeven is zowel in de praktijk als in de literatuur reeds jarenlang onderwerp van conversatie.

Het hof legt echter uit dat de maatstaf voldoende ruimte biedt aan de rechter om naast de gevalsvergelijking rekening te houden met bijvoorbeeld inflatie en gewijzigde maatschappelijke opvattingen over de omvang van immateriële schade. Dit noemen we indexeren. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft daarover in diens arrest van 14 januari 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:181) al eens geoordeeld dat smartengeldbedragen met 10% kunnen worden verhoogd, zodat rekening wordt gehouden met de in de literatuur gevoerde discussie. Daarnaast heeft ook het hof Arnhem-Leeuwarden in diens arrest van 5 augustus 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:6223) overwogen dat het in de rede ligt om in de toekomst in Nederland hogere vergoedingen vast te stellen en toe te kennen dan in het verleden het geval was.

Zelf de uitspraken nalezen?
Rechtbank Noord-Nederland, beschikking van 18-01-2018 (ECLI:NL:RBNNE:2018:822).
Hof Arnhem-Leeuwarden, arrest van 26-01-2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:735).

Wilt u dat wij contact met u opnemen?

Meer nieuws

Interview mr. J. van de Watering

maandag 22 maart, 2021

Voor de website Letselschade.nu is mr. J. van de Watering geïnterviewd over onder andere het ondernemerschap en de groei van Arcus Letselschade. Klik hier voor de link naar de website en het interview.

Lees verder

Shockschade

maandag 21 december, 2020

In de vorige bijdrage heeft mr. T. van der Ven de mogelijkheden tot het vorderen van affectieschade belicht. In deze blog wordt de mogelijkheid tot het vorderen van shockschade toegelicht. Naast de bovengenoemde mogelijkheid was er onder bepaalde voorwaarden ook ruimte om een schadevergoeding toe te kennen voor een persoon die door het waarnemen van […]

Lees verder

Heeft u schade? Stuur een mail of bel (076) 700 27 75